maar sommige blijven eikel
We bouwden zeepkisten, en zij, die het geluk hadden aan een steile straat te wonen, konden proberen snelheidsrecords te vestigen om eventueel halverwege vast te stellen dat ze de remmen vergeten hadden. Na een paar ongevallen was dat probleem meestal ook opgelost.
We konden naar buiten! Vrienden bezoeken, aankloppen of gewoon zonder aankloppen naar binnen gaan, hem af halen om te gaan spelen. Zonder oppasser!
En niemand werd naar een psycholoog gestuurd, niemand had concentratieproblemen of was hyperactief.
We hadden vrijheid, tegenslag en successen… en leerden daar mee om te gaan. En als het misging met ons had behalve wij niemand daar schuld aan. – maar man, wat waren wij tevreden en gelukkig!
Maar waarom herinner ik me een hyper mooie kindertijd, terwijl ik toch zeker de meest doorsnee kindertijd heb beleefd die je maar kan bedenken? Is een gelukkige kindertijd dan misschien niks anders dan een uiterst onprecieze herinnering? En zal ik aan gisteren, vandaag of morgen ook op deze onprecieze manier denken?










